donderdag 14 maart 2019

New Split Series #8 - Het grootste verlies is het verlies van armoede

Kant A:

"Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben. En iedereen heeft nog maar slechts één droom: rijk worden. Maar is dit werkelijk onze enige droom?" (Lászlo Krasznahorkai)

Kant B:


© Natela Grigalashvili



zondag 23 december 2018

Jim White - Christmas Day


Where in the world did you come from my dear? Did some mysterious voice tell you I'd still be here? I bought this ticket to Mobile, but I been stranded all day...p.a. said the bus broke down ten miles away from the station.
So seldom a door...so seldom a key...so seldom a lock like the love between you and me. But seldom comes happiness without the pain of the devil in the details since I saw the smile on your face as I was crying in a Greyhound station on Christmas Day...in 1998.
The burden of love is the fuel of bad grammar. You stutter and stammer--what a bitch to convey the crux of the matter, when the words you must utter are hopelessly tangled in the memories and scars you show no one.
So seldom a door...so seldom a key...so seldom a hit like the hurt you put on me. But seldom comes happiness without the pain of the devil in the details since I saw the smile on your face as I was crying in a Greyhound station on Christmas Day...in 1998.
I remember quite clearly, a bad Muzak version of James Taylor's big hit, called "Fire and Rain" was playing as you crouched down and tearfully kissed me, and I thought, "Damn, what good fiction I will mold from this terrible pain."
So seldom a door...so seldom a key...so seldom a gift like the gift you gave me. But seldom comes happiness without the pain of the devil in the details since I saw the smile on your face as I was crying in a Greyhound station on Christmas Day...in 1998. Amazing grace, how sweet the smile upon the face I never thought I'd see you again...especially here in this Greyhound station...on Christmas Day...in 1998.
(from: Jim White, No Such Place. Luaka Bop, 2001.)

zaterdag 22 december 2018

New Split Series #7 - Cyclisch ronddwalen tussen voor en achter

Kant AB:

"Al snel was ik vergeten dat ik zonet nog boven in mijn kamertje somber piekerend voor een leeg blad had gezeten. Droefheid, smart en alle zwaarmoedige gedachten leken wel verdwenen ofschoon ik voor en achter mij nog levendig een zekere ernst bespeurde."

Kant BA:

"Misschien ten gevolge van extreme vermoeidheid of om een andere reden dacht ik aan een mooi meisje en aan het gevoel dat ik zo alleen was in de wijde wereld, wat onmogelijk juist kon zijn. Zelfverwijten vielen mij van achteren aan en zaten mij van voren in de weg. Bepaalde slechte herinneringen maakten zich van mij meester. Allerlei beschuldigingen die tegen mijzelf gericht waren stemden mijn hart zwaarmoedig. Ik moest hard vechten."
Robert Walser, De wandeling. Vert. Machteld Bokhove. Lebowski, Amsterdam, 2015, p. 17 (begin) en 65 (nu ja..., einde).

zaterdag 1 december 2018

Traject naar werk (arbeidsbemiddelaars mogen mee lachen)



"Begin 1992 was ik korte tijd werkloos, een ontmoedigende ervaring. [...] In die tijd woonde ik in Didcot - iemand moet het doen - en de gang naar het uitkeringskantoor van dat nogal vervallen stadje was deprimerend. Ik solliciteerde als een gek naar baantjes over de hele wereld en weet nog goed dat een ambtenaar me vroeg of ik vooruitgang had geboekt. Ze moest een formulier invullen en een van de vragen was waar ik naar werk zocht. Ik vertelde dat ik kort daarvoor gesolliciteerd had op banen in het Verenigd Koninkrijk, Australië, de Verenigde Staten en Costa Rica, en stelde voor dat ze 'overal ter wereld' invulde. Ze fronste ontevreden, want de volgende vraag was: 'Waar zou u verder nog werk willen zoeken?'"
Dave Goulson, Geroezemoes in het gras. Vert. Nico Groen. Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, p. 129-130)

vrijdag 30 november 2018

De mantra die groen lacht


"Per slot van rekening leven we, zijn we jong, hebben we verwachtingen, zouden we weliswaar eeuwig willen bestaan, maar voelen we ons toch gelukkig binnen het begrensde hemelrond dat zich boven de paar decennia van een mensenleven welft, en willen we het liefst niets weten van de nietigheid, de betekenisloosheid van een woord dat we zeggen, van een handeling die we verrichten, van een pijn die we ondergaan."
(Joseph Roth, Zipper en zijn vader. Vert. Wilfred Oranje. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2011, p. 149) 

zondag 25 november 2018

Thuiskomen

 "Wat op een bepaald ogenblik heeft geklonken, zal nooit meer op dezelfde manier weerklinken. Je kunt geen twee keer in dezelfde rivier stappen, wist Heraclitus al. [...] Dat betekent ook dat muziek als kunst steeds opnieuw uitgevoerd moet worden om te kunnen bestaan. Het heeft iets tragisch: het beste wat gespeeld of gezongen wordt, vervluchtigt in het verstrijken van de tijd en blijft enkel in de herinnering. In haar vergankelijkheid lijkt de muziek op de moraal. [...] De mooiste klanken doven uit en moeten opnieuw gespeeld worden om weer hoorbaar te zijn. De mooiste daden moeten opnieuw gesteld worden, om weer goedheid in de wereld te brengen. Muziek en moraal vergen onze onophoudelijke overgave. Maar tussen muziek en moraal is meer dan een vergelijking mogelijk. [...] Muziek bezit geen toverkracht waardoor we na het spelen of beluisteren omgetoverd worden tot goede mensen. [...] Maar muziek kan wel je begrip van jezelf, de ander en je plaats in de wereld vergroten. [...] Het gevoel thuis te zijn in jezelf en op de plek waar je bent is een cruciaal existentieel én moreel gegeven. [...] Muziek doet ons thuiskomen in ons bestaan."
(Alicja Gescinska, Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid. De Bezige Bij, Amsterdam, 109-113) 

dinsdag 20 november 2018

Cesare Pavese & Bianca Garufi - Het grote vuur (review, °mei 2013)


Het grote vuur is het unieke resultaat van de literaire samenwerking tussen de Italiaanse schrijver Cesare Pavese (1908-1950) en Bianca Garufi (1918-2006), schrijfster, vertaalster, Paveses collega bij de Turijnse uitgeverij Einaudi én diens muze. Beide geliefden vatten het plan op beurtelings een hoofdstuk van de roman te schrijven. Dit proces zette zich via briefwisselingen nog een tijdje verder nadat Garufi, geteisterd door een depressie en niet in staat Paveses dwingende liefde te beantwoorden, Turijn al verlaten had. Het is pas in 1959, negen jaar na Paveses zelfmoord, dat Italo Calvino -vriend, collega-schrijver en op dat ogenblik uitgever bij Einaudi - het manuscript ontdekte in de archieven van de uitgeverij en onmiddellijk besloot het postuum te publiceren. Voor deze eerste vertaling naar het Nederlands bedienden Evalien Rauws en Luc de Rooy zich van een gelijkaardig procedé door elkaar de vertaalde hoofdstukken over en weer toe te sturen.


De roman vertelt vanuit wisselend perspectief de uiterst moeizame liefde tussen Giovanni (door Pavese) en Silvia (door Garufi), die allebei hun geboortedorp hebben ingeruild voor de grote stad waar ze elkaar zullen ontmoeten. Hun relatie is al een tijdje afgesprongen wanneer Silvia van haar stiefvader Dino het bericht ontvangt dat de jongen Giustino op sterven ligt. Hierop vraagt Silvia Giovanni haar te vergezellen naar Maratea, het dorp dat ze tien jaar eerder in dramatische omstandigheden ontvluchtte. In Maratea is echter niets wat het lijkt en ontvouwt zich, doorheen een hardnekkige traditie van ‘eervol’ stilzwijgen, de geschiedenis die Silvia’s jeugd heeft verminkt en elke liefde in haar latere leven, zoals voor Giovanni, onmogelijk maakt. Het raadsel ‘Silvia’ ontsnapt aan de gefrustreerde Giovanni - en met het open einde en alles wat onuitgesproken blijft, ook voor een deel aan de lezer. Het verhaal diept een verdrongen verleden op en toont daarin aan hoe ingrijpend wij als mensen bepaald worden door familie, afkomst, wat er ‘diep in ons bloed zit’, hoe wij dit kunnen vervloeken of proberen te ontvluchten, maar nooit achter ons kunnen laten. De autobiografische inslag als ‘spiegelroman’ of ‘de tweeslachtige roman’ is onmiskenbaar. Maar beide schrijvers - en vertalers! - hebben er een intens en universeel verhaal uit gepuurd dat op zichzelf staat. Afsluiten doet het boek met een essay van Alejandro Zambra. Uitzonderlijk!

(Cesare Pavese & Bianca Garufi, Het grote vuur. Vert. Evalien Rauws & Luc de Rooy. Karaat, Amsterdam, 2012)

maandag 19 november 2018

Op een zonnige bank in het park


"Freud hief zijn handen, bekeek ze even in het zonlicht en liet ze weer in zijn schoot zakken. 
 'Ik geloof niet dat ik je hiermee kan helpen,' zei hij. 'De juiste vrouw vinden is een van de moeilijkste opgaven van onze beschaving. En ieder van ons moet die volkomen alleen tot een goed einde brengen. We komen alleen op de wereld, en we sterven alleen. Maar vergeleken bij de eenzaamheid die we ervaren als we voor het eerst tegenover een mooie vrouw staan, lijken geboorte en dood welhaast maatschappelijke evenementen. In de beslissende dingen zijn we van meet af aan op onszelf aangewezen. We moeten onszelf steeds weer vragen wat we graag willen en welke kant we op willen. Met andere woorden, je moet je eigen hoofd inschakelen. En als dat je geen antwoorden geeft, moet je het je hart vragen!'
'Van mijn hoofd is niet veel te verwachten,' mompelde Franz. 'En mijn hart ligt aan gruzelementen in een huis in de Rotensterngasse.'"
(Robert Seethaler, De Weense sigarenboer. De Bezige Bij, Amsterdam, 2017, p. 142-143)  

zaterdag 17 november 2018

Split Series #6 - Vergeefs groene bladeren

Kant A:

"Heel veel later vond ik onder in een schoendoos vol oude brieven de pasfoto uit Holland Park terug en ik werd getroffen door de argeloosheid van onze gezichten. We boezemden vertrouwen in. En dat was geen verdienste van ons, behalve dan de verdienste die aan alle jonge mensen korte tijd wordt toegekend, als een vage belofte die nooit gehouden zou worden."
(Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid. Vert. Edu Borger. Meulenhoff, Amsterdam, 1998, p. 78)

Kant B:

"'Waar denk je aan jongen?' 
'Aan de bladeren die we komende herfst bij elkaar zullen moeten harken, meneer.'
Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Het is net als met leerlingen,' antwoordde hij ernstig. 'De ouderen verdwijnen en er komen weer nieuwe. De nieuwe worden weer oud, enzovoort, enzovoort... Precies als de bladeren van de bomen.'
Ik heb me toen afgevraagd of hij nog enige overblijfselen, oude rapporten of opstellen, van die zich elk jaar vernieuwende bladeren bewaarde."
(Patrick Modiano, Aardige jongens. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2014, p. 134)

woensdag 14 november 2018

New Split Series #5 - Stilte

Kant A:

"'Ergens moet het toch stil zijn...' Het klonk meer vragend dan overtuigd. 'Ergens, in een wild, zuiver landschap, in een lucht die nog niet is vergiftigd door het lawaai van de propaganda, door de leugens van de politiek. Ik droom van oerwouden of van grenzeloze prairies, van steppen of gebergten. Het gebied dat mijn vaderland moet worden is misschien kaal, maar ik verlang er onschuld van, zoals van een vrouw. De grote gave die ik eraan afsmeek is stilte.' 
[...] 'Ik vrees, beste man, dat u overdreven ideeën heeft over de grenzeloze omvang van onze planeet. Hij is klein geworden. De beschaving omspant hem, en de welkome gemakken daarvan brengen overal hun problemen met zich mee. Dat hoef ik u toch niet uit te leggen, beste doctor Deutsch?' 
Zijn stem werd strenger, maar kreeg meteen weer een weemoedig gedempte klank. 'U denkt dat u minder veeleisend bent geworden, maar in werkelijkheid eist u het moeilijkste, kostbaarste, zeldzaamste. Onschuld en stilte, waar vinden we die? Hier toch niet!' besliste de zieke met een spottend medelijdend glimlachje. 'Beste, arme vriend, hier toch niet.'"
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Amsterdam/Antwerpen, Querido, 2018, p.458-459)

Kant B:

"Ik herinner me hoe hij een paar weken eerder op een paar Loyola-studenten was afgestapt die aan het tafeltje naast het onze zaten te babbelen, die copieus het woord like hadden misbruikt, en die nauwelijks even pauzeerden om adem te halen. Ik was geïrriteerd geraakt door de onophoudelijke leegheid van hun woordenuitwisseling, de idiote frequentie van die likes, en ik kon maar niet stoppen met luisteren juist omdat ik geen idee had waar ze het over hadden. Maar ik verduurde het omdat we hier altijd wel afgeleid werden. Peter echter explodeerde. 'Waarom praten jullie zo veel?' gilde hij vanuit het niets naar hen. 'Jullie praten nu al een uur, en hebben nog altijd niets gezegd. Koppen dicht! Koppen dicht!' De studenten hielden hun mond, doodsbang. Peters uitbarsting, hoe schokkend hij ook geweest moge zijn, was volkomen logisch voor mij - niet alleen treurde hij om het verspillen van de woorden, hij verafschuwde ook de morele gelatenheid waarmee ze verspild werden. Voor hem, in wiens strot de graat van de ontheemding voor altijd was blijven steken, was het verkeerd om over niets te praten indien er een eeuwigdurend tekort aan woorden was voor alle afschuwelijke dingen die in deze wereld plaatsvonden. [...] De studenten konden Peters interne ruimte natuurlijk niet doorgronden. Zo immuun als ze waren voor sprakeloosheid, hadden ze geen toegang tot het onzegbare."
(Aleksandar Hemon, Het boek van mijn levens. Vert. Charles Bors en Mauro Veen. Karaat, Amsterdam, 2015, 209-210)

maandag 12 november 2018

New Split Series #4 - Exil Avenue


Kant A:

"Het beste voelde hij zich nog in het hotel, 39th Street East, tussen Lexington en Park Avenue, dat kennissen hem hadden aanbevolen. Zijn kleine kamer keek uit op de binnenplaats en was tamelijk donker. Toch was het daar rustig, en betrekkelijk koel. Overigens beviel ook de kleine bar van het hotel hem wel, hij kletste graag met de mixer, monsieur Gaston. Afgezien van die charmante, wereldwijze knaap had hij in New York geen vrienden. De aanbevelingsbrieven bleven weer ongebruikt, Abel troostte zich met de gedachte: het is het seizoen niet om bezoeken af te leggen, de meeste mensen zijn waarschijnlijk de stad uit."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 374)

 Kant B:

"Het kleine hotel, 39th Street, tussen Lexington en Park Avenue, was haar in Parijs aanbevolen. Haar kamer keek uit op de binnenplaats en was donker, maar best behaaglijk. Ze zat graag beneden in de bar te kletsen met de mixer, monsieur Gaston, een Fransman. De ruimte zag er schoon en vrolijk uit, met grote spiegels achter de bar en meubels die bekleed waren met glanzend rood leer, 'bijna als in Parijs,' zei Marion, en tot haar ergernis betrapte ze zich erop dat ze nog een heel klein beetje verlangen en heimwee had naar wat achter haar lag en nu verleden was, of misschien toekomst."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 384)

maandag 5 september 2016

Nu ik heb leren lopen,

zal ik het nooit meer opnieuw kunnen leren (Walter Benjamin)



"Of misschien houd ik er wel van met een boek bezig te zijn. Vind ik het fijner te schrijven dan iets te hebben geschreven. Misschien blijf ik liever daar, houd ik mezelf liever op in die tijd, leef ik liever samen met die jaren, met het achtervolgen van ongrijpbare beelden die ik voorzichtig herhaal. En zie ik ze liever vaag voor me dan helemaal niet. Blijf ik liever daar, en kijk naar ze." (p. 66)
"De roman is de roman van de ouders, dacht ik toen, denk ik nu. We groeiden op met die gedachte, dat de roman iets van onze ouders was. Dat zij verdoemd waren tot dat schemergebied, waar wij, opgelucht, ook mochten schuilen. Terwijl de volwassenen elkaar vermoordden of dood waren, zaten wij in een hoekje tekeningen te maken. Terwijl het land ten onder ging, leerden wij praten, lopen, servetten tot een bootje of een vliegtuig vouwen. Terwijl de roman plaatsvond, speelden wij verstoppertje, leerden wij hoe we konden verdwijnen." (p. 67-68)
"Ik herinner me nog altijd die middag dat de docente zich naar het schoolbord omdraaide en de woorden proefwerk, vrijdag, aanstaande, Madame, Bovary, Gustave en Flaubert op het bord schreef. Met elke letter werd het stiller en aan het eind hoorde je alleen nog maar het trietse gekras van het krijtje." (p. 68)
"Destijds kenden wij de namen van de bomen of de vogels niet. Maar dat was ook niet nodig. We konden met weinig woorden leven en het was mogelijk op elke vraag hetzelfde antwoord te geven: ik zou het niet weten. We vonden niet dat dat onwetendheid was. We noemden het eerlijkheid. Later leerden we beetje bij beetje de nuances daartussen kennen. De namen van de bomen, van de vogels, van de rivieren. En we besloten dat elke zin beter was dan zwijgen... Maar ik heb iets tegen nostalgie... Nee, dat is niet waar. Ik zou iets tegen nostalgie willen hebben." (p. 73) 
Alejandro Zambra, Manieren om naar huis terug te keren. Vert. Luc de Rooy. Karaat, Amsterdam, 2012. 

dinsdag 23 februari 2016

New Split Series #3 - Ziel

Kant A:

"We streven naar bezittingen die ons beschermen en die ons een prettig en aangenaam gevoel bezorgen - wat Tagore ons materiële 'omhulsel' noemde. Maar we lijken bij dit alles de ziel te vergeten, dat wil zeggen: wat het inhoudt als gedachten opbloeien uit de ziel, en persoon en wereld op een rijke, subtiele en gecompliceerde wijze met elkaar verbinden; wat het inhoudt om een ander te benaderen als een wezen met een ziel in plaats van als een nuttig werktuig of een hinderpaal bij het verwezenlijken van onze plannen; wat het inhoudt om als iemand die over een ziel beschikt te praten met iemand anders die we als even diep en complex beschouwen als onszelf." (Martha Nussbaum, Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft. Vert. Rogier van Kappel. Ambo, Amsterdam, 2011, p. 20-21)

Kant B:

"(Aan Ernest Cevalier - Rouen, zaterdagavond 24 juni 1837) Oh, veel meer houd ik van zuivere poëzie, hartekreten, plotselinge opwellingen en verder diepe zuchten, de stemmen van de ziel, de gedachten van het hart. Er zijn dagen, dat ik de hele wetenschap van alle vroegere, hedendaagse en toekomstige kletskousen, alle dwaze eruditie van uitpluizers, vilders, filosofen, romanschrijvers, drogisten, kruideniers en academici, zou willen ruilen voor twee versregels van Lamartine of van Victor Hugo. Je ziet, dat ik nu fel anti proza, anti de rede, anti de waarheid ben geworden, want wat is het schone anders dan het onmogelijke, de poëzie anders dan barbaarsheid - het menselijk hart, en waar kan je dat hart nog vinden, wanneer het bij de meeste mensen heen en weer slingert tussen twee grootse gedachten, die menigmaal 's mensen leven vullen: fortuin maken en voor jezelf leven, dat wil zeggen je hart laten verschrompelen tussen je winkel en je spijsvertering. Beste Ernest, schrijf me even lange brieven. Geheel de jouwe." (Gustave Flaubert, Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie. Privé-domein nr. 56. Vert. E. Borger. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1981, p. 12)

zaterdag 9 januari 2016

Lof van over de Grote Plas

Signalement: Thomas Wolfe in Hans Fallada



Ik ben bijzonder verheugd om in de biografie Hans Fallada. Alles in mijn leven komt terecht in een boek van Anne Folkertsma de in ons taalgebied ten onrechte vrijwel onbekende Amerikaanse auteur Thomas Wolfe (1900-1938) aan te treffen - niet te verwarren met zijn jongere collega, land- en bijna naamgenoot Tom Wolfe:
"In 1919 richtte hij [Ernst Rowohlt (1887-1960), vaste uitgever van Hans Fallada] het tweede Rowohlt Verlag op. Naast klassiekers als Honoré de Balzac publiceerde hij moderne Duitse auteurs als Kurt Tucholsky en eind jaren twintig introduceerde hij moderne Amerikaanse auteurs als Sinclair Lewis, Ernest Hemingway en Thomas Wolfe in het Duitse taalgebied. Thomas Wolfe onderstreept in 1942 de levenslust en hartelijkheid van zijn uitgever: 'waar hij ook komt, brengt hij kleur in de grauwe sleur, zorgt hij voor warmte, elan en humor'. Rowohlt vestigt in een gezelschap alle ogen op zich 'en al heb je maar een glimp van hem opgevangen, je vergeet hem evenmin als de enige verwarmde kamer in een verder onbewoond en onbewoond gebouw'." (p. 110-111)
Een nieuwe Rowohlt mag ondertussen wel opstaan om Thomas Wolfe ook in het Nederlandstalige gebied onder de aandacht te brengen. Dat tot hiertoe behalve enkele kortverhalen niets in vertaling verscheen, hoeft niet meteen een bezwaar te zijn, de Engelstalige edities zijn nog steeds vlot beschikbaar. Maar in wat mijn zoekmachine tussen die schaarste verder aantrof, komt Wolfe er jammer genoeg behoorlijk bekaaid vanaf. Zo pleegde Sander Pleij enkele jaren geleden voor Vrij Nederland een kort artikel gebaseerd op Daily Rituals: How Artists Work van Mason Currey over de "tics, neurosen en zelfkastijding van de grote schrijvers, denkers, kunstenaars en musici" en het duidelijke patroon dat hij onder deze heren - o.a. Thomas Wolfe, Bejamin Franklin, Chopin, Matisse, Thomas Mann - kon vaststellen:
"De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe (1900-1938) gebruikte begin vorige eeuw deze eigenaardige methode: hij ontdeed zich van zijn kleding, opende het raam, nam plaats en streelde zijn mannelijkheid, niet te opwindend, want zijn penis ‘remained limp and unaroused’, zo verzekerde hij zijn redacteur in een brief, maar wel genoeg om dat ‘good male feeling’ te krijgen dat de katalysator vormde van zijn creativiteit. Dat was geen aberratie van die rare Wolfe, hij was er bepaald niet de enige in, ook iemand als de grote Benjamin Franklin (1706-1790) kwam naakt achter het bureau tot grotere prestaties."
Een aardige introductie, en een perfecte aanvulling op het handboek Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling waarin Wolfe in het hoofdstuk 'Persoonlijkheidsstoornissen' als een lichtend schoolvoorbeeld in schuindruk wordt gekadreerd:
"De Amerikaanse schrijver Thomas Wolfe publiceerde zijn eerste boek, Look Homeward[,] Angel, in 1929. Toen hij op 38-jarige leeftijd overleed, werd hij gerekend tot de grootste romanschrijvers van zijn tijd. Wolfe was productief en gedreven, maar doodongelukkig. Hij werd omschreven als nerveus, achterdochtig, tobberig, drankzuchtig en driftig. Hij was ruw in de omgang en maakte een weinig sympathieke indruk. Volgens Wolfe zelf was hij bang voor mensen, wat hij probeerde te verbloemen door zich arrogant te gedragen. Veelal zwierf hij 's nachts beneveld over straat en belde uren met vrienden om hen te beschuldigen dat ze hem hadden verraden. De volgende dag bood hij hun vol berouw dan weer zijn verontschuldigingen aan. Hij kon zich moeilijk tot schrijven zetten, maar eenmaal begonnen hield zijn woordenstroom niet meer op. Zijn tweede boek [Of Time And The River, 1935] moest ingrijpend bewerkt worden, omdat hij er zelf niet in slaagde de honderden bladzijden tot een samenhangend verhaal te ordenen. Nadat een redacteur zijn werk had ingekort, meende Wolfe dat het boek een complete mislukking was. Volgens hem lag dat aan de redacteur. Wolfe werd achterdochtig en had op den duur geen enkele vriend meer. Zijn gedrag werd steeds onvoorspelbaarder en mondde steeds sneller uit in ongecontroleerde woedeaanvallen. Het functioneren van Wolfe beantwoordt aan de kenmerken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Kernwoord bij deze stoornis is instabiliteit." (p. 213)
Wat schrijvers en hun lezers lijden kunnen. Toegegeven, zelf las ik tot hiertoe slechts, lang geleden, Of Time And The River, waarvan mij de intigerende poetische en bijna mantrische wijdlopigheid is bijgebleven, en, zeer recent, de beklijvende novelle The Lost Boy. Dit Signalement: is dan ook opgevat als een uitnodiging, in de eerste plaats aan mijzelf, om Thomas Wolfe opnieuw en meer ter hand te nemen.

_________________________

Mason Currey, Daily Rituals: How Artists Work. Knopf, New York, 2013. Dit boek verscheen voor ons taalgebied als: Dagelijkse rituelen. Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken. Vert. Louise Koopman. Maven Publishing, Amsterdam, 2014.
Anne Folkertsma, Hans Fallada. Alles in mijn leven komt terecht in een boek. Cossee, Amsterdam, 2015.
Sander Pleij, 'Mannenschrijftip'. Vrij Nederland, 7 november 2013, www.vn.nl/mannenschrijftip-2/
W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten, 2004; tweede, herziene druk, Google Books. In 2011 verscheen een derde, herziene druk, maar ik kon niet nagaan of Wolfe daarin nog steeds als voorbeeld wordt aangehaald.
Thomas Wolfe, Of Time And The River. Penguin Books, 1984.
Thomas Wolfe, The Lost Boy. The University of North Carolina Press, 1992.

woensdag 23 december 2015

Hans Magnus Enzensberger - Oog in oog met de burgeroorlog

De mythe van de vrede


"Men heeft in Sisyphus een existentialistische held willen zien, een outsider, een rebel van meer dan levensgrote tragiek, omgeven met duivelse glans. Misschien is dat onjuist. Misschien is hij iets veel belangrijkers, een figuur uit het dagelijkse leven. Voor de Grieken betekende zijn naam de vergrotende trap van sophos, verstandig; Homerus noemde hem zelfs de verstandigste onder de mensen. Hij was geen filosoof, hij was goochem. Men zegt dat het hem gelukt is de dood te ketenen. Daarmee maakte hij een eind aan het doden, net zo lang tot Ares, de god van de oorlog, de dood bevrijdde en Sisyphus aan hem uitleverde. Maar deze was de dood voor de tweede keer te slim af, en hij speelde het klaar weer naar de aarde terug te keren. Hij zou heel oud geworden zijn. Later moest hij, als straf voor zijn menselijk verstand, een zware steen de berg op rollen, steeds opnieuw. Deze steen is de vrede."

Hans Magnus Enzensberger, Oog in oog met de burgeroorlog. Vert. Gerry Bruil. De Bezige Bij, Amsterdam, 1994, p. 70.

vrijdag 18 december 2015

Hans Magnus Enzensberger - De grote volksverhuizing

De eerste van 33 markeringen


 I
"Een wereldkaart. Zwermen blauwe en rode pijlen die zich verdichten tot wervelingen en in tegengestelde richting weer uit elkaar drijven. De kaart wordt genuanceerd door bogen die kleurrijke zones van verschillende luchtdrukken van elkaar scheiden: isobaren en winden. Zo'n klimaatkaart ziet er mooi uit, maar wie geen basiskennis heeft, zal hem nauwelijks kunnen verklaren. Hij is abstract. Hij moet een dynamisch proces met statische middelen afbeelden. Alleen een film kan laten zien waar het om gaat. De normale toestand van de atmosfeer is turbulentie. Hetzelfde geldt voor het bevolken van de aarde door de mens."
Meer dan twintig jaar na verschijnen is De grote volksverhuizing. Drieëndertig markeringen van Hans Magnus Enzensberger niets minder dan brandend actueel en relevant. Enzensberger start zijn analyse van de migratieproblematiek vanuit een glashelder beeld: "De normale toestand van de atmosfeer is de turbulentie. Hetzelfde geldt voor het bevolken van de aarde door de mens." Maar meteen blijkt die mens ook steeds behept met het 'perverse' zelfbesef van een autochtoon die de/zijn ruimte voor zichzelf opeist. In korte, krachtige hoofdstukken fileert Enzensberger deze paradox, maar zonder pasklare oplossingen te bieden. Maar laat dat nu vooral de sterkte zijn van zijn essay: elke beschouwing roept de pertinente vragen op die nog steeds door halfslachtige en lafhartige (politieke, economische...) oplossingen worden verdonkeremaand. Het is niet min wat Enzensberger impliciet van iedereen verwacht: voor een frisse start, beschouw de menselijke natuur en haar excessen, en bestrijd het met wat ons ook tot mens maakt. 

Hans Magnus Enzensberger, De grote volksverhuizing. Drieëndertig markeringen. Vert. Marion Offermans. De Bezige Bij, Amsterdam, 1993, 78 p.

woensdag 16 december 2015

Het voornemen van de kopiist

De eerste zin



Plooierijen van geschik van Lucas Hüsgen heeft al enkele jaren een vaste stek in de wachtrij, klimt er niet omhoog, maar tuimelt er ook niet naar beneden, een volhouder dus die zich in de ooghoeken van mijn boekenkast heeft genesteld. Soms grijp ik er al eens naar, laat me opnieuw overtuigen door de lovende woorden op het achterplat - "Een krachttoer die zich kan meten met de hedendaagse wereldliteratuur", "De muzikaalste taal die er in Nederland geschreven wordt"... -, begin wat te lezen, nooit lukraak, maar steeds opnieuw vanaf de eerste zin, die luidt:
"Ach slak die over de varen kruipt, pas neergezakt in jouw bedauwde weiland waag ik te vertellen dat koorden wiegden van een hoge balustrade en bebaarde mannen in kaftans het goud van hun zwaarden bewonderden en toespelingen fluisterden op de met sterren bezaaide hemel boven het veldje met de offergaven, en niets anders overwogen dan de vraag waar de gierpont van de Waal met zijn petten en paardenhoeven, sigaren en balen tarwe de striemende winterstormen boven de Shannon, de kaarsjes die flakkeren op de bruggen over de Spree met de viool van kleine Klaus zal ontmoeten, of de melancholie van iepen als de Maasoever de regimenten van Willem van Heukelom de Jongere rollebollen in de warmte vergunt." (p. 7)
Verrassend toch, die syntaxis! Nu ik de aanhef ook eens rustig heb overgeschreven, reikhals ik naar de volgende zin. Inhoudelijk begrip is voor later, in een goed boek mag je immers nooit vooruit lopen. 

Lucas Hüsgen, Plooierijen van geschik. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2007, 673 p.

vrijdag 4 december 2015

My medium is prose


Poetry for an Album (deel)


Feelings my friend
wrote Schumann
are stars which guide us
only when the sky is clear
but reason is a magnetic needle
driving our ship on
till it shatters on the rocks

It was when my palsied
finger stopped me playing
the piano that calamity
came upon me

If you knew every cranny
of my heart
you would yet be ignorant
of the pain my happy
memories bring

...

uit: W.G. Sebald, Across the Land and the Water. Selected Poems, 1964-2001. Hamish Hamilton, London, 2011, p. 81.

maandag 12 oktober 2015

De geschiedenis van mijn tanden


Allegorische uitweiding #10
Chinese gelukskoekjes van Quintillianus


"[...] Toen de lilliputter Gogol vertrokken was, kwam er via de deur een derde lilliputter binnen. Zoals te verwachten viel, deed hij hetzelfde als de vorige twee lilliputters, en ging aan tafel zitten. Nadat hij hem eens goed bekeken had terwijl hij zijn neus snoot, zei Fadanelli: Laat me raden, je heet Dostojevski en je voelt je miserabel omdat je vrouw een трутень is. De derde lilliputter keek hem stomverbaasd aan. Waarom zeg je dat? vroeg hij hem nadat hij een flinke slok van zijn glas bier had genomen. Guillermo Fadanelli antwoordde hem van догадался по горячности своего голоса en glimlachte licht ironisch. Je vergist je, don Guillermo. Ik heet Roberto Wálser en ik snuit mijn neus omdat ik last van hooikoorts heb.
Op dat moment kwam de ober met een mandje vol Chinese gelukskoekjes bij de tafel staan. Guillermo Fadanelli nam er eentje en brak het doormidden, met een beweging alsof hij een eitje brak. Hij liet het papiertje op tafel vallen. Vervolgens vouwde hij het langzaam open en las hardop:
'Dit is hoe je je de Engel van de Geschiedenis zou voorstellen. Zijn gezicht naar het verleden gericht. Waar wij een keten van gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe die de ene ruïne op de andere stapelt en rond zijn voeten neerstrooit. De engel zou graag blijven, de doden wekken, en weer heel maken wat aan stukken is geslagen. Maar er is een storm opgestoken in het Paradijs, en die heeft zijn vleugels met zo'n geweld gegrepen dat de engel ze niet meer dicht kan slaan. De storm stuwt hem onweerstaanbaar de toekomst in, terwijl de hoop debris voor hem hemelwaarts groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen (W.B.)'
Dat staat allemaal op dat papiertje? vroeg Wálser.
Ja, antwoordde Guillermo Fadanelli.
Ik geloof je niet, antwoordde hij, en schoot hem door zijn hoofd.
De lilliputter Wálser nam vervolgens een koekje uit het mandje dat de ober nog altijd aan hem voor hield. Hij deed de bewegingen van zijn reeds overleden vriend na en brak het koekje in twee identieke delen, liet het papiertje op tafel vallen en net voor hij zichzelf door zijn hoofd schoot, las hij:
'Het leven zal je tegemoet lachen.'
Einde van de allegorische uitweidingen."

Valeria Luiselli, De geschiedenis van mijn tanden. Opgetekend door P. Menard. Karaat, Amsterdam, 2015, p. 156-157. 

dinsdag 24 maart 2015

New Split Series #2 - Mansarde

Kant A:

"Als geregeld medewerker van de zondagse kunstpagina van Vooruit heeft [Emile] Langui zijn zinnen gezet op een reeks over de emigrantenkunst. 'Interviews op mansarden' zal ze heten." (Mark Schaevers, Orgelman: Felix Nussbaum. Een schildersleven. De Bezige Bij, Amsterdam, 2014, p. 214)
Felix Nussbaum, Krug am Fenster, Berlijn, 1926

Kant B:

"'Mijn kunstenaars', zo wordt Hitler in de memoires van Speer geciteerd, 'moeten als vorsten leven en niet in mansarden huizen." (Orgelman, p. 264)
Felix Nussbaum, Atelier in Brüssel (Atelier in der Rue Archmédes), Brussel, 1940