Posts tonen met het label coincidences. Alle posts tonen
Posts tonen met het label coincidences. Alle posts tonen

maandag 12 november 2018

New Split Series #4 - Exil Avenue


Kant A:

"Het beste voelde hij zich nog in het hotel, 39th Street East, tussen Lexington en Park Avenue, dat kennissen hem hadden aanbevolen. Zijn kleine kamer keek uit op de binnenplaats en was tamelijk donker. Toch was het daar rustig, en betrekkelijk koel. Overigens beviel ook de kleine bar van het hotel hem wel, hij kletste graag met de mixer, monsieur Gaston. Afgezien van die charmante, wereldwijze knaap had hij in New York geen vrienden. De aanbevelingsbrieven bleven weer ongebruikt, Abel troostte zich met de gedachte: het is het seizoen niet om bezoeken af te leggen, de meeste mensen zijn waarschijnlijk de stad uit."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 374)

 Kant B:

"Het kleine hotel, 39th Street, tussen Lexington en Park Avenue, was haar in Parijs aanbevolen. Haar kamer keek uit op de binnenplaats en was donker, maar best behaaglijk. Ze zat graag beneden in de bar te kletsen met de mixer, monsieur Gaston, een Fransman. De ruimte zag er schoon en vrolijk uit, met grote spiegels achter de bar en meubels die bekleed waren met glanzend rood leer, 'bijna als in Parijs,' zei Marion, en tot haar ergernis betrapte ze zich erop dat ze nog een heel klein beetje verlangen en heimwee had naar wat achter haar lag en nu verleden was, of misschien toekomst."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 384)

vrijdag 17 oktober 2014

Heilzame kippen II


Ik herinner me dat ik lang niet alle waargebeurde verhalen die Paul Auster in deze bundel samengebracht heeft even verrassend vond, maar "The chicken", ingezonden door Linda Elegant uit Portland, Oregon, is een pareltje. Zie voor andere waarachtige kippen hier.
"As I was walking down Stanton Street early one Sunday morning, I saw a chicken a few yards ahead of me. I was walking faster than the chicken, so I gradually caught up. By the time we approached Eighteenth Avenue, I was close behind. The chicken turned south on Eighteenth. At the fourth house along, it turned in at the walk, hopped up the front steps, and rapped sharply on the metal storm door with its beak. After a moment, the door opened and the chicken went in." (p. 3)
Paul Auster (ed.), I thought my father was God, and other true tales from NPR's National Story Project. Picador, New York, 2001.

woensdag 6 november 2013

Breukvlak #19

 
"Boeren bewonen het landschap; estheten, geografen, historici en vooral toeristen bezoeken het. Bezoekers zijn niet in de streek geworteld die ze bezoeken, maar ook in hun eigen landschap niet, want dan zouden ze niet op reis gaan. Het schijnt dat we moeten kiezen om ofwel in onbewuste binding aan het landschap waarin we wonen en werken onder te gaan, ofwel om ons van ons landschap bewust te worden maar daardoor er tevens van te vervreemden." (1)
Wandelen laat je toe bruggen te slaan over de breukvlakken die onvermijdelijk je pad kruisen - ook in een uitgestrekte wildernis of een rurale uithoek, waar voor de moderne wandelaar niets nog volstrekt ongerept is, want zij/hij neemt minstens steeds ook zichzelf mee, met een inwendig bruggenhoofd tussen overal en nergens.
"There is first of all the problem of the opening, namely, how to get us from where we are, which is, as yet, nowhere, to the far bank. It is a simple bridging problem, a problem of knocking together a bridge. People solve such problems every day. They solve them, an having solved them push on." (2)
De bruggen over Breukvlak #19, tussen de Tivoli- en de Brugstraat en van de Brugstraat naar de Norbertijnerweg, verworden zo tot pleisterplaatsen, momentane plekken waar je met een vluchtige tag je cryptische identiteit bevestigt en achterlaat. Waar je individuele weerzin en afkeer, missie en genoegens durft te verstickeren. Waar je halt houdt, en uitkijkt, en mijmert over je onzekere aanvoelen en verinnerlijken van het diffuse panorama dat deze uiterwaarden van Leuven bieden,
"and probably where these tectonic plates rub against each other is where the sources of pain are." (3)
 Maar meteen is ook
het geluk van de wandelaar [ ] gelegen in de overvloed aan betekenissen die de wereld blijkt te hebben, wanneer zij een ogenblik de beroepsmatige verenging van haar blik vermag te overwinnen om de wereld in haar totaliteit te genieten. Zij geniet van de dingen, dat ze er zijn en dat ze zo zijn als ze zijn.” (4)

Breukvlak #19 is een verstilde delta van rafelranden van de stad, waar contrasten samenvloeien en zich laten ontleden tot haar samenstellende, interactieve delen. Er is geschiedenis, die integraal gekoesterd en met het nu geïntegreerd wordt: de oude moestuin van de Abdij van Park draagt nu onze vruchten… Er wordt gewoond, minder vanuit het uniforme, definiërende geheel van de laat-19de- en vroeg-20ste-eeuwse arbeidersstraten, want Vlaams verhakkeld en verprutst, maar elke andere deur, elk ander venster doet iets van verankering en creatieve betrokkenheid vermoeden… Er wordt bestuurd, als vanuit een ‘nieuwe’ hoog oprijzende burcht, en tastbaar, zoals het tegenwoordig lijkt te horen, verstrengeld met geld en ondernemen - is het dit dat het steriele non-place-karakter van de Philipslaan, met haar anaerobe, versteende waterpartij en misplaatste palmbomen, definieert?... Er wordt doorheen gereisd, en gependeld, van en naar het vervagende hinterland; maar hier zijn spoorlijnen net iets meer de aders die ze zijn, hier zijn treinen net iets minder de loge van waaruit de eendere achterkant aan je voorbij glijdt… En er is de dood: ter wereld gekomen zijn, houdt meteen in dat je je belazerd voelt, om te beginnen door het leven zelf, dat blijkbaar met jou geen uitstaans heeft zonder de dood; misschien gaat dit door je heen op de stedelijke begraafplaats, als een eerste stap naar verzoening, als nieuwe zuurstof voor je zoeken, bijvoorbeeld naar een daad van restitutie voor hen die ons voorgingen en hen die ons nakomen.
"In sterke mate bezit iemand slechts, wat hem ontbreekt, omdat hij het zoeken moet. Zoekend leeft hij. Iedereen zoekt iets." (5)
De (stedelijke) tijd is nooit lineair. Misschien zweven vooral zij die hier niet meer zijn en zij die hier nog niet zijn, hier voltalliger rond dan wij die nu voortdurend zoeken. Zou deze kloot er niet beter aan toe zijn wanneer wij dit met z'n allen zouden voelen?

Elk stadsdeel, hier open en elders verdicht, is een Breukvlak van lagen en gedachten op drift.

____________________

Breukvlak #19 is mijn bijdrage aan een initiërende oefening voor het vak Cultural Policy van de masteropleiding Culturele Studies die ik momenteel volg aan de universiteit van Leuven. Met het oog op het praktische groepswerk dat we op het einde van het academiejaar moeten opleveren, werden alle studenten vooraf in groepjes van vier ondergebracht. Met Anke, Alessa en Chess behoor ik tot Groep 19. Om elkaar beter te leren kennen en interne cohesie te smeden die nodig zal zijn om het eindwerk tot een goed einde te brengen, kreeg elke groep een puzzelstuk van het stadsplan van Leuven toebedeeld dat een stadsdeel afbakende dat we (inter)actief moesten verkennen, om nadien van die exploratie verslag uit te brengen.

(1) Ton Lemaire, Filosofie van het landschap. Baarn, Ambo, 1996, zesde herziene druk, p. 143-144.
(2) J.M. Coetzee, Elizabeth Costello. New York, Viking, 2003, p. 1.
(3) W.G. Sebald aan het woord in: Eleanor Wachtel, "Ghost hunter" in: Lynne Sharon Schwartz, The Emergence of Memory. Coversations with W.G. Sebald. New York/London/Melbourne/Toronto, Seven Stories Press, 2010, p. 56.
(4) Lemaire, p. 146.
(5) Robert Walser, Liefdesverhalen. Amsterdam/ Antwerpen, Atlas, 2007, tweede druk, p. 202.

Merci: Dank aan Incommensurable voor het in herinnering brengen van Ton Lemaires Filosofie van het landschap; ik heb het boek na jaren opnieuw uit de kast genomen en tot mijn verrassing bleek het vol fluoriserende arceringen te staan, zoals ook het citaat over het geluk van de wandelaar. De foto met affiche werd genomen door Alessa.

zaterdag 27 juli 2013

Zicht op Antwerpen met een dichtgevroren Schelde

Over Teju Cole en W.G. Sebald, noodgedwongen...


I.
"Instinctief een baby redden, een zweem van geluk; een tijdje onder Rwandezen verkeren, de overlevenden, een zweem van verdriet; het idee van onze uiteindelijke anonimiteit, weer een zweem van verdriet; seksueel verlangen dat zonder complicaties in vervulling gaat, weer een zweem van geluk, en zo ging het maar door, terwijl de ene gedachte de andere opvolgde. Hoe banaal kwam de menselijke conditie me voor, dat we onderworpen waren aan de voortdurende worsteling om ons innerlijke leefklimaat onder controle te houden, alsof we een wolk waren die eeuwig en altijd in het rond werd geslingerd. Zoals te verwachten viel, nam mijn geest ook nota van dat inzicht en gaf het een plek: een zweem van verdriet." (Teju Cole, Open Stad, De Bezige Bij, 2012, p. 181)

Open Stad is niet meteen te vergelijken met andere romans die ik heb gelezen, tenzij met de geschriften van W.G. Sebald (1944-2001), waaraan ik, als (bescheiden) lezer en klerk in M., een baken heb en had, en waarmee Teju Cole, als schrijver, verwantschap lijkt te vertonen. Sebald heb ik al een geruime tijd geleden in mijn hart gesloten; voorlopig eerder intuïtief, zoals bijvoorbeeld ook, nog langer geleden, het denken van Christian Norberg-Schulz (genius loci), Martin Heidergger’s filosofie van het wonen of de idee van (bouwkundig) erfgoed als een fundamenteel mensenrecht, maar zonder de kansen te (kunnen) benutten ze diepgaander te bestuderen en eigen te maken. Maar nu M. binnen twee weken een afgesloten hoofdstuk zal zijn, dwingt de noodzaak te articuleren wat me daar elf jaar lang heeft gedreven; en misschien zal ook de tot een harde, weerbarstige knot verweven samenhang van mijn onderliggende motieven met de volle gedaante die ik ben, ontrafeld kunnen worden. Ik weet echt niet waar ik aan begin en, in de veronderstelling dat ik het volhoud, waarheen dit mij, via de sprongen en de zijwegen die ik mij moet veroorloven, zal leiden. Op zoek gaan ook, naar antwoorden op de vele vragen die uit de schimmige contouren vloeien van het portret dat ik tot hiertoe slechts in wisselvallige en ongelijktijdige pennentrekken van mijzelf heb kunnen schetsen.

II.

Over Sebald, Cole en hun verwantschap baseer ik me voorlopig op wat anderen hebben geschreven; misschien dat ik na volgehouden lezen en herlezen met mijn eigen stem indrukken en inzichten kan toevoegen. Volgens Stefan Hertmans, in diens verhelderende essay 'Literatuur als restitutie. W.G. Sebald en het geheugen' (Stefan Hertmans, De mobilisatie van Arcadia, De Bezige Bij, 2011, p. 228-237) staat in Sebald’s werken "niet zozeer het zoeken naar het verhaal achter de uiterlijke gebeurtenissen centraal, als wel de constructie van een historisch gebaseerd verhaal door het verbinden van gebeurtenissen en herinneringen" (Hertmans, p. 234-235). Sebald bediende zich hiertoe van "een met toewijding en aandacht beschrijven van elk betekenisvol detail, waardoor juist die ervaring kan oplichten die epifanisch inzicht verschaft in concrete, historisch geworden en door de tijd afgedekte samenhang" (Hertmans, p. 230). Ook Cole’s ogenschijnlijk plot- en structuurloze roman ontwikkelt zich via talloze indrukken, herinneringen, ontmoetingen, gebeurtenissen en historische feiten tot aaneengeregen "proeven van verbanden, vluchtige aanzetten tot een totaalbegrip van mens en wereld" (Jan Pollen, Een boek suggereert een conversatie).

In beider werken neemt het geheugen een belangrijke plaats in. Sebald was volgens Hertmans "geobsedeerd door de dialectiek van vergeten en herinneren, en de vreemde imaginatie die uit deze wisselwerking is ontstaan, vormt de hele magie van zijn indringende oeuvre" (Hertmans, p. 229). Sebald beschouwde echte literatuur niet als een vorm van "beschrijven om het beschrijven, maar van beschrijven om te bewaren, en vandaar ook: te begrijpen, diep te doorvoelen hoe het werkelijk is geweest" (Hertmans, p. 229-230) en dat, in Sebalds woorden, "misschien alleen om ons te helpen begrijpen dat er verbanden zijn die met geen enkele causale logica zijn te doorgronden" (Hertmans, p. 232). Cole: "Daarnaast gaat mijn roman over het geheugen. En als je realistisch over het geheugen wilt schrijven, blijkt dat geen strak laken maar een soort open patroon, een soort kant. Het is onvolmaakt, maar heeft zijn eigen samenhang" (NRC, 22 juni 2012).

Wanneer professor (leermeester?) Saito tegenover Julius, Cole's protagonist, mijmert over oorlog en vergeten, is het niet moeilijk voor te stellen hoe Sebald, die met De natuurlijke historie van de verwoesting een onvergetelijke(!) indruk heeft nagelaten, rondwaart in het met memorabilia afgeladen appartement van de zieke ouderling:
"Maar er kwam een einde aan de oorlog, zoals na verloop van tijd aan alle oorlogen, op zeker moment was de fut er gewoon uit. […] En nu, deze oorlog, dat is een mentaal gevecht voor weer een nieuwe generatie, jouw generatie. Er zijn namen van steden die bij jou een enorme afschuw wekken, omdat je geleerd hebt die namen in verband te brengen met gruweldaden, maar voor de generaties na jou zullen die namen nietszeggend zijn: het duurt niet lang voor zoiets vergeten is." (Open Stad, p. 209-210)
Dit brengt me op het appel dat van beide schrijvers op me uitgaat. Voor Sebald was "het kwaad een aspect van het menselijk vergeten. Mensen vergeten generatie na generatie wat er werd aangericht door hen die hun voorgingen en trekken er dan ook geen lessen uit. Vandaar dat herinneren niet zomaar een willekeurige functie van de geest is. […] Het aan de oppervlakte brengen van [die] epifanische inzichten vormt voor hem het morele gehalte van de literatuur. Vandaar dat schrijven, wil het betekenis hebben voor een samenleving, voor Sebald altijd een vorm van restitutie moet inhouden – recht doen aan hoe het werkelijk is geweest" (Hertmans, p. 230). In Open Stad spreekt Cole zich "ergens expliciet uit, maar je voelt onder elke regel de trage draaibeweging van de geest richting een nieuw levensgevoel. Teju Cole zet een (onderbouwde) stap naar betrokkenheid, engagement en een vrije integratie in een globaal systeem dat zich elke dag, elk uur herdefinieert, bijstuurt, afbreekt en herstelt." (Jan PollenAnders dan Cole/Julius neemt Sebald/diens verteller een duidelijke positie in:
"What ultimately drives Sebald’s narrator is not doubt, but desire: to believe in a shadow world; to find evidence of it in the wondrous impossibilities of the natural world; to tell stories of metamorphosis, and therefore to imagine the indestructibility of soul, being, or spirit. Through these desires, we escape the mourning that we each have equally inherited. Thus, unlike Cole and Lerner, Sebald does choose a position from where his narrator speaks. In grief yet also in wonder, he invites us to observe alongside him. What certainties arise from his observations? The history of our world, for Sebald, is like a thread of a thousand yards woven by silkworm. Our recent past has broken it irrevocably." (Vertigo)
III.

Sebald beschrijven als een moralist zou hem overigens volstrekt oneer aandoen; het is slecht één onderdeel van zijn bevlogen, omvattende en diepgravende melancholische en literair zeer hoogstaande verbeeldingskracht. Al op de eerste bladzijden van Austerlitz, dat een aanvang neemt met een gecondenseerde, maar indringende historische schets van het Centraal-Station van Antwerpen, werpt Sebald onze blik met een enkele penseelstreek op de melancholische ziel en de drijfveren van zijn schrijverschap:
"En zoals hij die eerste avond was geëindigd, zo zette Austerlitz de volgende dag, waarvoor wij hadden afgesproken op het wandelterras aan de Schelde, zijn beschouwingen voort. Hij wees naar het brede water waarin de ochtendzon blonk en vertelde over een schilderij van Lucas van Valckenborch, gemaakt omstreeks het midden van de zestiende eeuw tijdens de zogenaamde Kleine IJstijd, waarop de dichtgevroren Schelde vanaf de overkant is afgebeeld, en daarachter, heel donker, de stad Antwerpen en een strook van het vlakke land dat zich uitstrekt naar de zeekust. Uit de donkere hemel boven de toren van de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal valt een sneeuwbui, en daarginds op de rivier waarop wij nu zo’n vierhonderd jaar later uitkijken, zei Austerlitz, vermaken de Antwerpenaars zich op het ijs, gewoon volk met aardkleurige kielen aan en witkanten plooikragen om hun hals."
"Op de voorgrond, dicht bij de rechterhand van het schilderij, is een dame ten val gekomen. Ze draagt en kanariegele jurk; de cavalier die zich bezorgd over haar heen buigt een rode, in het vale licht zeer opvallende broek. Als ik nu naar die rivier kijk, zei Austerlitz, en aan dat schilderij met zijn kleine figuurtjes denk, heb ik het gevoel dat het door Lucas van Valckenborch weergegeven ogenblik nooit voorbij is gegaan, dat de kanariegele dame pas zojuist is gevallen of bewusteloos geraakt, dat haar zwartfluwelen muts net pas naast haar hoofd is gerold, dat het kleine ongeluk waaraan de meeste beschouwers ongetwijfeld voorbijzien, telkens opnieuw gebeurt, dat het nooit meer ophoudt en door niets en niemand meer goed te maken valt." (W.G. Sebald, Austerlitz, p. 16-17)

En zo ik pas deze ochtend, op donderdag 18 april, besluiten kon deze passage uit Austerlitz en een fotografische reproductie en een detailopname van het schilderij als illustraties toe te voegen, zo moet ik nu, nu ik er op Wikipedia een korte biografie van de voor mij onbekende schilder op nakijk, tot mijn verbijstering vaststellen dat ‘het kleine ongeluk’ zich opnieuw voltrekt, dat Sebald als een vanuit de tijd vooruit gezonden boodschapper naast me staat, met een minzame en berustende grootvaderlijke arm om mijn door dit kleine toeval en door mijn treurnis bezwaarde schouders: Lucas van Valckenborch (1535-1597) zou wellicht zijn opleiding hebben genoten in M., net zoals ik in M. mijn ogen aan het vak heb toevertrouwd; alleszins staat hij er vermeld in het register van de plaatselijke Sint-Lucasgilde.

Het samenbrengen en bewaren van betekenisvolle ‘details’ en er, melancholisch pendelend tussen verdriet en vreugde, een omgang mee zoeken in het heden en voor de toekomst, dat was hoe ik met mijn hele gedaante en levensgevoel mijn taak in M. nog verder had willen volbrengen...