dinsdag 20 november 2018

Cesare Pavese & Bianca Garufi - Het grote vuur (review, °mei 2013)


Het grote vuur is het unieke resultaat van de literaire samenwerking tussen de Italiaanse schrijver Cesare Pavese (1908-1950) en Bianca Garufi (1918-2006), schrijfster, vertaalster, Paveses collega bij de Turijnse uitgeverij Einaudi én diens muze. Beide geliefden vatten het plan op beurtelings een hoofdstuk van de roman te schrijven. Dit proces zette zich via briefwisselingen nog een tijdje verder nadat Garufi, geteisterd door een depressie en niet in staat Paveses dwingende liefde te beantwoorden, Turijn al verlaten had. Het is pas in 1959, negen jaar na Paveses zelfmoord, dat Italo Calvino -vriend, collega-schrijver en op dat ogenblik uitgever bij Einaudi - het manuscript ontdekte in de archieven van de uitgeverij en onmiddellijk besloot het postuum te publiceren. Voor deze eerste vertaling naar het Nederlands bedienden Evalien Rauws en Luc de Rooy zich van een gelijkaardig procedé door elkaar de vertaalde hoofdstukken over en weer toe te sturen.


De roman vertelt vanuit wisselend perspectief de uiterst moeizame liefde tussen Giovanni (door Pavese) en Silvia (door Garufi), die allebei hun geboortedorp hebben ingeruild voor de grote stad waar ze elkaar zullen ontmoeten. Hun relatie is al een tijdje afgesprongen wanneer Silvia van haar stiefvader Dino het bericht ontvangt dat de jongen Giustino op sterven ligt. Hierop vraagt Silvia Giovanni haar te vergezellen naar Maratea, het dorp dat ze tien jaar eerder in dramatische omstandigheden ontvluchtte. In Maratea is echter niets wat het lijkt en ontvouwt zich, doorheen een hardnekkige traditie van ‘eervol’ stilzwijgen, de geschiedenis die Silvia’s jeugd heeft verminkt en elke liefde in haar latere leven, zoals voor Giovanni, onmogelijk maakt. Het raadsel ‘Silvia’ ontsnapt aan de gefrustreerde Giovanni - en met het open einde en alles wat onuitgesproken blijft, ook voor een deel aan de lezer. Het verhaal diept een verdrongen verleden op en toont daarin aan hoe ingrijpend wij als mensen bepaald worden door familie, afkomst, wat er ‘diep in ons bloed zit’, hoe wij dit kunnen vervloeken of proberen te ontvluchten, maar nooit achter ons kunnen laten. De autobiografische inslag als ‘spiegelroman’ of ‘de tweeslachtige roman’ is onmiskenbaar. Maar beide schrijvers - en vertalers! - hebben er een intens en universeel verhaal uit gepuurd dat op zichzelf staat. Afsluiten doet het boek met een essay van Alejandro Zambra. Uitzonderlijk!

(Cesare Pavese & Bianca Garufi, Het grote vuur. Vert. Evalien Rauws & Luc de Rooy. Karaat, Amsterdam, 2012)

maandag 19 november 2018

Op een zonnige bank in het park


"Freud hief zijn handen, bekeek ze even in het zonlicht en liet ze weer in zijn schoot zakken. 
 'Ik geloof niet dat ik je hiermee kan helpen,' zei hij. 'De juiste vrouw vinden is een van de moeilijkste opgaven van onze beschaving. En ieder van ons moet die volkomen alleen tot een goed einde brengen. We komen alleen op de wereld, en we sterven alleen. Maar vergeleken bij de eenzaamheid die we ervaren als we voor het eerst tegenover een mooie vrouw staan, lijken geboorte en dood welhaast maatschappelijke evenementen. In de beslissende dingen zijn we van meet af aan op onszelf aangewezen. We moeten onszelf steeds weer vragen wat we graag willen en welke kant we op willen. Met andere woorden, je moet je eigen hoofd inschakelen. En als dat je geen antwoorden geeft, moet je het je hart vragen!'
'Van mijn hoofd is niet veel te verwachten,' mompelde Franz. 'En mijn hart ligt aan gruzelementen in een huis in de Rotensterngasse.'"
(Robert Seethaler, De Weense sigarenboer. De Bezige Bij, Amsterdam, 2017, p. 142-143)  

zaterdag 17 november 2018

Split Series #6 - Vergeefs groene bladeren

Kant A:

"Heel veel later vond ik onder in een schoendoos vol oude brieven de pasfoto uit Holland Park terug en ik werd getroffen door de argeloosheid van onze gezichten. We boezemden vertrouwen in. En dat was geen verdienste van ons, behalve dan de verdienste die aan alle jonge mensen korte tijd wordt toegekend, als een vage belofte die nooit gehouden zou worden."
(Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid. Vert. Edu Borger. Meulenhoff, Amsterdam, 1998, p. 78)

Kant B:

"'Waar denk je aan jongen?' 
'Aan de bladeren die we komende herfst bij elkaar zullen moeten harken, meneer.'
Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Het is net als met leerlingen,' antwoordde hij ernstig. 'De ouderen verdwijnen en er komen weer nieuwe. De nieuwe worden weer oud, enzovoort, enzovoort... Precies als de bladeren van de bomen.'
Ik heb me toen afgevraagd of hij nog enige overblijfselen, oude rapporten of opstellen, van die zich elk jaar vernieuwende bladeren bewaarde."
(Patrick Modiano, Aardige jongens. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2014, p. 134)

woensdag 14 november 2018

New Split Series #5 - Stilte

Kant A:

"'Ergens moet het toch stil zijn...' Het klonk meer vragend dan overtuigd. 'Ergens, in een wild, zuiver landschap, in een lucht die nog niet is vergiftigd door het lawaai van de propaganda, door de leugens van de politiek. Ik droom van oerwouden of van grenzeloze prairies, van steppen of gebergten. Het gebied dat mijn vaderland moet worden is misschien kaal, maar ik verlang er onschuld van, zoals van een vrouw. De grote gave die ik eraan afsmeek is stilte.' 
[...] 'Ik vrees, beste man, dat u overdreven ideeën heeft over de grenzeloze omvang van onze planeet. Hij is klein geworden. De beschaving omspant hem, en de welkome gemakken daarvan brengen overal hun problemen met zich mee. Dat hoef ik u toch niet uit te leggen, beste doctor Deutsch?' 
Zijn stem werd strenger, maar kreeg meteen weer een weemoedig gedempte klank. 'U denkt dat u minder veeleisend bent geworden, maar in werkelijkheid eist u het moeilijkste, kostbaarste, zeldzaamste. Onschuld en stilte, waar vinden we die? Hier toch niet!' besliste de zieke met een spottend medelijdend glimlachje. 'Beste, arme vriend, hier toch niet.'"
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Amsterdam/Antwerpen, Querido, 2018, p.458-459)

Kant B:

"Ik herinner me hoe hij een paar weken eerder op een paar Loyola-studenten was afgestapt die aan het tafeltje naast het onze zaten te babbelen, die copieus het woord like hadden misbruikt, en die nauwelijks even pauzeerden om adem te halen. Ik was geïrriteerd geraakt door de onophoudelijke leegheid van hun woordenuitwisseling, de idiote frequentie van die likes, en ik kon maar niet stoppen met luisteren juist omdat ik geen idee had waar ze het over hadden. Maar ik verduurde het omdat we hier altijd wel afgeleid werden. Peter echter explodeerde. 'Waarom praten jullie zo veel?' gilde hij vanuit het niets naar hen. 'Jullie praten nu al een uur, en hebben nog altijd niets gezegd. Koppen dicht! Koppen dicht!' De studenten hielden hun mond, doodsbang. Peters uitbarsting, hoe schokkend hij ook geweest moge zijn, was volkomen logisch voor mij - niet alleen treurde hij om het verspillen van de woorden, hij verafschuwde ook de morele gelatenheid waarmee ze verspild werden. Voor hem, in wiens strot de graat van de ontheemding voor altijd was blijven steken, was het verkeerd om over niets te praten indien er een eeuwigdurend tekort aan woorden was voor alle afschuwelijke dingen die in deze wereld plaatsvonden. [...] De studenten konden Peters interne ruimte natuurlijk niet doorgronden. Zo immuun als ze waren voor sprakeloosheid, hadden ze geen toegang tot het onzegbare."
(Aleksandar Hemon, Het boek van mijn levens. Vert. Charles Bors en Mauro Veen. Karaat, Amsterdam, 2015, 209-210)

maandag 12 november 2018

New Split Series #4 - Exil Avenue


Kant A:

"Het beste voelde hij zich nog in het hotel, 39th Street East, tussen Lexington en Park Avenue, dat kennissen hem hadden aanbevolen. Zijn kleine kamer keek uit op de binnenplaats en was tamelijk donker. Toch was het daar rustig, en betrekkelijk koel. Overigens beviel ook de kleine bar van het hotel hem wel, hij kletste graag met de mixer, monsieur Gaston. Afgezien van die charmante, wereldwijze knaap had hij in New York geen vrienden. De aanbevelingsbrieven bleven weer ongebruikt, Abel troostte zich met de gedachte: het is het seizoen niet om bezoeken af te leggen, de meeste mensen zijn waarschijnlijk de stad uit."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 374)

 Kant B:

"Het kleine hotel, 39th Street, tussen Lexington en Park Avenue, was haar in Parijs aanbevolen. Haar kamer keek uit op de binnenplaats en was donker, maar best behaaglijk. Ze zat graag beneden in de bar te kletsen met de mixer, monsieur Gaston, een Fransman. De ruimte zag er schoon en vrolijk uit, met grote spiegels achter de bar en meubels die bekleed waren met glanzend rood leer, 'bijna als in Parijs,' zei Marion, en tot haar ergernis betrapte ze zich erop dat ze nog een heel klein beetje verlangen en heimwee had naar wat achter haar lag en nu verleden was, of misschien toekomst."
(Klaus Mann, De vulkaan. Vert. Ria van Hengel. Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2018, p. 384)

maandag 5 september 2016

Nu ik heb leren lopen,

zal ik het nooit meer opnieuw kunnen leren (Walter Benjamin)



"Of misschien houd ik er wel van met een boek bezig te zijn. Vind ik het fijner te schrijven dan iets te hebben geschreven. Misschien blijf ik liever daar, houd ik mezelf liever op in die tijd, leef ik liever samen met die jaren, met het achtervolgen van ongrijpbare beelden die ik voorzichtig herhaal. En zie ik ze liever vaag voor me dan helemaal niet. Blijf ik liever daar, en kijk naar ze." (p. 66)
"De roman is de roman van de ouders, dacht ik toen, denk ik nu. We groeiden op met die gedachte, dat de roman iets van onze ouders was. Dat zij verdoemd waren tot dat schemergebied, waar wij, opgelucht, ook mochten schuilen. Terwijl de volwassenen elkaar vermoordden of dood waren, zaten wij in een hoekje tekeningen te maken. Terwijl het land ten onder ging, leerden wij praten, lopen, servetten tot een bootje of een vliegtuig vouwen. Terwijl de roman plaatsvond, speelden wij verstoppertje, leerden wij hoe we konden verdwijnen." (p. 67-68)
"Ik herinner me nog altijd die middag dat de docente zich naar het schoolbord omdraaide en de woorden proefwerk, vrijdag, aanstaande, Madame, Bovary, Gustave en Flaubert op het bord schreef. Met elke letter werd het stiller en aan het eind hoorde je alleen nog maar het trietse gekras van het krijtje." (p. 68)
"Destijds kenden wij de namen van de bomen of de vogels niet. Maar dat was ook niet nodig. We konden met weinig woorden leven en het was mogelijk op elke vraag hetzelfde antwoord te geven: ik zou het niet weten. We vonden niet dat dat onwetendheid was. We noemden het eerlijkheid. Later leerden we beetje bij beetje de nuances daartussen kennen. De namen van de bomen, van de vogels, van de rivieren. En we besloten dat elke zin beter was dan zwijgen... Maar ik heb iets tegen nostalgie... Nee, dat is niet waar. Ik zou iets tegen nostalgie willen hebben." (p. 73) 
Alejandro Zambra, Manieren om naar huis terug te keren. Vert. Luc de Rooy. Karaat, Amsterdam, 2012. 

dinsdag 23 februari 2016

New Split Series #3 - Ziel

Kant A:

"We streven naar bezittingen die ons beschermen en die ons een prettig en aangenaam gevoel bezorgen - wat Tagore ons materiële 'omhulsel' noemde. Maar we lijken bij dit alles de ziel te vergeten, dat wil zeggen: wat het inhoudt als gedachten opbloeien uit de ziel, en persoon en wereld op een rijke, subtiele en gecompliceerde wijze met elkaar verbinden; wat het inhoudt om een ander te benaderen als een wezen met een ziel in plaats van als een nuttig werktuig of een hinderpaal bij het verwezenlijken van onze plannen; wat het inhoudt om als iemand die over een ziel beschikt te praten met iemand anders die we als even diep en complex beschouwen als onszelf." (Martha Nussbaum, Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft. Vert. Rogier van Kappel. Ambo, Amsterdam, 2011, p. 20-21)

Kant B:

"(Aan Ernest Cevalier - Rouen, zaterdagavond 24 juni 1837) Oh, veel meer houd ik van zuivere poëzie, hartekreten, plotselinge opwellingen en verder diepe zuchten, de stemmen van de ziel, de gedachten van het hart. Er zijn dagen, dat ik de hele wetenschap van alle vroegere, hedendaagse en toekomstige kletskousen, alle dwaze eruditie van uitpluizers, vilders, filosofen, romanschrijvers, drogisten, kruideniers en academici, zou willen ruilen voor twee versregels van Lamartine of van Victor Hugo. Je ziet, dat ik nu fel anti proza, anti de rede, anti de waarheid ben geworden, want wat is het schone anders dan het onmogelijke, de poëzie anders dan barbaarsheid - het menselijk hart, en waar kan je dat hart nog vinden, wanneer het bij de meeste mensen heen en weer slingert tussen twee grootse gedachten, die menigmaal 's mensen leven vullen: fortuin maken en voor jezelf leven, dat wil zeggen je hart laten verschrompelen tussen je winkel en je spijsvertering. Beste Ernest, schrijf me even lange brieven. Geheel de jouwe." (Gustave Flaubert, Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie. Privé-domein nr. 56. Vert. E. Borger. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1981, p. 12)