maandag 29 juli 2013

Ontspannen is inspannen III

II.


In M. doet ge u lukraak De voorstad groeit cadeau, een oud exemplaar uit de editie met het ganse voor- en achterplat opgetrokken uit een vlaamse bakstenen muur en daarop in ’t veel kleiner een ooit uit diezelfde klei getrokken vlaams gezin, of neen, geen gezin, maar de doorsnee der mensen die aan den arbeid zouden moeten, of niet aan den arbeid kunnen, of niet aan den arbeid willen, maar daar precies zomaar aan de kant van de weg onverschillig staan te staren: naar Schaampaard, het te verwaarlozen schamele vlaamse paard… naar de Voiture en de onbemande mechanieke wals, samen op drift over nieuwe vlaamse straten en steenwegen… naar Gars die achter het hoekske Gardine in de grond nagelt, want er moet ook gejongd worden, opdat de voorstad zou groeien, zonder dat men daarna nog naar z’n jongen zal omkijken… En zonder al een letter tot u te hebben genomen, denkt ge er u bij dit tafereelke nog twee klopgrage vlaamse gendarmes bij, met onder hun neus een franse snor.


Zo snel als uw vodde benen u dragen kunnen, rept ge u met het boek in uw oksel terug naar huis en begint ge te lezen, en het duurt niet lang voor ge niet meer kunt stoppen met lezen: wat ge anders de Literatuur niet durft aandoen, doet ge eerst schroomvallig en altoos verwoeder met onderstrepen, uitroepingstekens en vlugschriften in de marge, terwijl het u ondertussen onophoudelijk schrijnt en schreit vanbinnen, want daar in de voorstad is het één doffe, gedetermineerde stilstand: de geest van de kleine man, vol vragen waarom, en het hart van de kleine man, vol vage verlangens naar den einder, ze schieten alle kanten uit: bonk! bonk! bonk! tegen de isoleercel die zijn schedel is, boemdedoem! boemdedoem!, tegen zijn borstkas, zijn keurslijf. Maar er is gelijk niks geen impuls die de stem of ledematen van de kleine man zinvol doet verheffen of in beweging zet, er is alleen die onzichtbare snaar die vanuit zijn kruin naar de hemel reikt en daar of waar dan ook wat atonaal bespeeld wordt en het op een dag pardoes begeven zal: zo klinkt onverschillig de Muziek der Sferen, in de voorstad en misschien ook overal elders.

En tegen het einde aan van de cyclische voorstedelijke ellende waar geen einde aan komt, kropt u iets de keel toe, wil de lucht waar ge naar happen moet niet naar binnen trekken, zoekt het bloed naar een bres in uw aderen… want daar staat… ge wist echt niet uit welkeen van de in stukken gekapte romans van Boon … daar, neen!, hier!, hier vlak onder uwe neus, onder uwe bijna bloedneus van de suizende druk... hier staat waarmee de knappe Vrouw uw nachtelijk en beneveld spoedbericht over de kruisdracht in elk van ons beantwoord heeft. Uw euforie is zoals wanneer ge een favoriet lieke voor u uit loopt te neuriën en dat ge, wanneer ge vijf minuten later de radio opendraait, hoort weerklinken, als een sinjaal uit de Ether, om u te zeggen dat het u goed gaat, dat er in het Grote Boek der Voorspoed naast uwe naam nog eens een kruiske wordt gezet en ge er weer voor een jaarke tegenkunt. En zijn niet alleen alle radiophonen, maar ook alle phonographen en klankspoelen die allergelijk dat fraaie Lieke spelen.



Ge zult er nooit bij kunnen hoe ze het flikt, de knappe Vrouw, wier Muzische voorzienigheid ge nu onmogelijk nog betwijfelen of als een stoemelings toeval verklaren kunt, maar ge stelt het u alzo voor: met haar heel speciale ogen heeft ze uw roerselen doorgelicht en u met haar zangstem een toverzin ingefluisterd, ze heeft uw marionettenkoordjes beroerd en u aan het lopen gebracht, al is ’t op vodde benen – beter dat dan dat ze de koordekens afknipt en u daarmee geselt en aan het kruis vastbindt en u met wat ze daarna nog aan koordekens overhoudt verder geselt – en ge trekt een volgende gedachtestreep, zo: - dat ze u foltert is misschien niet geheel bezijden de waarheid. Ze initieert u in de echte Boon, in het echte Leven, waarin ge u vragen stelt als: "Hebt ge dat ooit van een beest geweten? Ze eten en slapen, ze drinken, paren en gaan dood, en ze zijn gelukkig. Wij niet, wij hebben het verstand dat ons doet vragen: waarom? En datzelfde verstand dat ons zegt: er is geen waarom, en als er toch een waarom moest zijn dan is er geen antwoord op."

En wat Boon nog in u aanricht? Hij gaat in u tekeer met zijn tweesnijdend zwaard: ge zijt er u stilaan van bewust dat ge Boon in uw jonge jaren misverstaan hebt, dat het opstandig dikke Geuzenboek toen nog niks voor u was en Mieke’s uitdagende spleet een spottende grimlach. En het was niks niemendal abusievelijk dat ge Boon hebt geloosd, maar was het hij die stillekes heeft zitten wachten tot ge u nog eens overgaf aan het Kortstondige Vergeten, om dan op zijn veel te korte beentjes aan uw waandacht te ontsnappen, u al toeroepend: "Salut en de kost, ik bol het hier af, en knoop het goed in uw wijd afstaande oren, snotneus: het is Mieke bijlange niet om uw zaad te doen!"

Vele maanden later, wanneer ook gij al zijn boeken in uw kast hebt verzameld, want straks is het 100 jaar geleden dat Boon in 1912 ter wereld kwam, kunt ge niet meer aanzien hoe Boon zich anno 2000-en-zoveel in zijn graf draait en keert en met zijn veel te korte beentjes blind voor zich uit spartelt naar schenen om ze bont en blauw te stampen, hoe hij het zonder licht in de duisternis in zijn vingeren voelt jeuken om den 21ste-eeuwse mens verder een geweten te schrijven. ’T is omdat gij dat allemaal niet meer kunt aanzien dat ge dit allemaal opschrijft voor de knappe Vrouw, waarvan ge nu toch verlangt dat ze u gauw weer terug schrijft, dat ze u dus niet afvalt, maar dat ge haar ook zult melden dat het met die schrijverij van u toch niks wordt, dat ge niks anders kunt dan Boon na te praten en z’n kromme zinnen te herschrijven... 'T is allemaal daarom dat ge u op ne morgen laat inlijven bij de bende van jan de lichte, om met een lap over uw kersepittenoog, dat al lelijk lang ontstoken is, en met uw nog immer dienstwillige garderoe de omhooggevallen mensenwereld zonder boe of bah de kop in te slaan. Maar ge hebt uw knuppel met knots nog niet goed en wel bovengehaald, of een van uw kompanen vergist zich van vijand en slaat zijn pikhouweel dwars door uw goeie rechteroog.

3 opmerkingen:

  1. "Hey euh?"
    "Best wel geniaal ofwa?", dachten mijn gedachten.

    [Nu het volgende (eigenlijk het vorige) en het dan-volgende/vorige (en zijn er dan nog? :)) nog lezen.]

    BeantwoordenVerwijderen
  2. ik ken Boon helemaal niet, tot voor kort dwaalden de kaften van zijn boeken in mijn hoofd rond zonder er iets aan te verbinden; maar, bestaat 'de knappe Vrouw'? ze waart in het verhaal rond als een schim..

    BeantwoordenVerwijderen