zondag 28 juli 2013

Ontspannen is inspannen II

I.


Het is de dag waarop ge zevenendertig wordt en van de knappe Vrouw, aan wie ge hier verder niet zult denken, ontvangt ge een klein onooglijk stukske papier met daarop gekribbeld in haar averechtse handschrift een citaat van Louis Paul Boon, uit ge weet niet welkeen van z’n illegale schrijfsels. Ge hebt ze altijd geweten in de volgestouwde kasten van uw vader, de boeken van Boon, maar nooit ter hand genomen. Behalve het opstandig dikke Geuzenboek, waarmee ge als jongeling eens een aanvang hebt genomen, omdat u dat dikke wel opstandig stond, maar waarin ge niet hebt volhard, daar ge u al snel overgaf aan het aanschouwen van Miekes blote kont een paar ruggen verder, aan het opgloeien van uw afstaande oren en het zwermen van het prille zaad tussen uw spille benen. En uw verdere komende tijd daaraan toegevende, moet ge Boon eens per abuis mee in de Opgespannen Leegte hebben geloosd, in het Weldadige Niks.


En zeg het maar gelijk het is: ook nu, in de verstrijkende tijd na uw jeugd, geeft ge u daar al eens aan over, niet om te genieten van wat dadelijk komt, maar om kortstondig te vergeten, om alles eens een stonde achter u te laten zoals een ander een existentiële zucht zou slaken, om van u af te schudden wat u steeds opnieuw bezighoudt. Angstvolle gedachten aan de Dood bijvoorbeeld, wanneer ge bang zijt het dorpsplein over te steken, waar na de zondagsmis twee ouwe dozen jan en alleman nog wat staan te beklappen, terwijl ge onder hun aftandse rokken de onherroepelijke aftakeling en de onafwendbare dood ziet waren en ge haastig rechtsomkeer huiswaarts snelt, opdat hij, Pietje, u niet zou opmerken en wegplukken. En meer nog dan uw gedachten aan de Dood, uw vele vragen bij het Leven, zoals ge er bijvoorbeeld niet bij kunt waarom de mens niet minder blijft dan wat hij altijd maar meer wil zijn, waardoor twijfelaars en onzekeren zoals gij zich slecht op hun gemak beginnen te voelen als mens onder de mensen: zoals op de stadsadministratie van M., waar ge werkt, waar ze u uitroepen tot Ambtenaar der Welstand der Huizen en Gevels en ge moet beslissen over schoon en lelijk, maar niet moogt laten merken hoe besluiteloos ge daarin zijt en dat u dat steeds minder afgaat, dat er dagen en zelfs weken zijn dat ge niet tot werken in staat zijt en verdroten voor u uit zit te staren en ge ten langen leste moet besluiten dat u alle dagen eender zijn geworden: de zon die opkomt en ondergaat, en alles wat in tussentijd wordt opgebouwd en afgebroken, het is u altijd weer wat meer en altijd weer wat minder van hetzelfde. En het stemt u bitter dat de verbittering uitgerekend bij u, met uw peperkoeken hart, zo hard toeslaat en dat ge aan die verbittering zo precies geen einde kunt stellen.
En waarmee ge na het Kortstondige Vergeten Troost aan uw zijde tracht te houden, dat zijn de Koffie en de Tabac, het Bier en de Wijn, de Literatuur en de knappe Vrouw, aan wie ge hier niet te hard durft denken, maar waarbij ge al eens uw hart uitstort, omdat ge dat zo moeilijk laten kunt, over iets dat ge aan het lezen zijt waarin het minste geringste u aangrijpt, bijvoorbeeld de parabel van Pär de Zweed over Barabbas, dat kleine bijfiguurke uit de Bijbel, in wiens plaats Jezus aan het kruis gaat hangen, en die al vragend, zoekend, twijfelend en met de berg Golgotha op zijn rug moet verder gaan door het leven, gelijk een mens, en die eens zelf aan het kruis genageld tot uw verbazing uitroept: "In uw genade beveel ik mijn geest", wat gij, die een mens zijt, weigert te lezen als een belijdenis en zelfs in uw laatste uur niet over uw in azijnwater gedrenkte lippen zout krijgen.


Zo gebeurt het dan - het is ondertussen nacht geworden en de parabel van Barabas is uit - dat ge overschakelt van bier op wijn en stoutmoedig wordt en de knappe Vrouw, waaraan de gedachten uit hun hoekske zijn gekropen, een spoedbericht stuurt met uw aanvoelen van de kruisdracht in elk van ons, waarvan ge ’s ochtends niet meer weet wat ge daar nu weer mee zeggen wou, of verzaakt hebt te zeggen, en ge dan meewarig uwe houten kop er af schudt om af te geraken van de benevelde pathetiek waarin ge weer veel te ver zijt doorgeschoten. Maar ziedaar, dan toch, op het onverwacht, op diezelfde ochtend, op de dag waarop ge zevenendertig wordt, op een onooglijk en verfrommeld stukske papier, antwoordt u de knappe Vrouw, waaraan de gedachten u nu krioelend bekruipen, met een woordje van Louis Paul Boon, uit ge weet niet welkeen van zijn kromme geschriften: "Ik lach er mee, maar ik vraag mij af waarom de mensen niet gebleven zijn lijk de andere dieren, waarom wij en wij alleen moesten gekruisigd worden met die hel van het verstand dat alles wil ontleden en begrijpen, en dat ons niets bijbrengt dan vloeken en tranen." Ge herleest het en ge leest het nog eens en ge zijt volledig van uw melk. Ge herleest het en ge leest het nog eens en ge draait het papierke al eens om en om... Ze roept u toe! Ze roept u toe gelijk ge u dat voorstelt van een Muze, die u voorziet van de troost die ge nu nodig hebt en u datgene aanreikt waarmee ge straks weer verder kunt!
Ge wrijft u stevig het linkeroog uit, dat u gisteren door een wielewaal was ondergescheten - ’t doet u zelfs nog wat zeer, voorzeker moet er een kersenpit tussen hebben gezeten – en op vodde benen trekt ge een nieuw jaar in, op zoek naar Boon.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten